Hamlet en de doodgraversscene

Geen schrijver kan met eenvoudige scenes ons zo raken als William Shakespeare. Hier een van de bekendste scenes uit Hamlet

De beroemde doodgraversscene…

Scene 1 van het vijfde bedrijf: Hamlet en Horatio komen langs twee grafdelvers die Ophelia’s graf aan het delven zijn. Hamlet hoort ze uit over de dood. Een van de opgegraven schedels blijkt van Yorick te zijn, de nar waarmee hij in zijn kindertijd zoveel plezier heeft beleefd (vertaling: René Retèl).

Hamlet
Ach zo (pakt de schedel). Weet je van wie deze schedel is?

Doodgraver
Dit was de schedel van Yorick, meneer, de nar van de koning. Die smeerlap heeft een keer een fles rijnwijn over mijn hoofd leeggegoten. Zonde.

Hamlet
Ach, arme Yorick. Ik heb hem gekend, Horatio. Wat een humor, wat een fantasie! Hij heeft me wel duizend keer op zijn rug gedragen. Hier zaten zijn lippen, die ik heb gekust. Waar zijn nu je grappen? Ga nu eens naar mijn moeders kamer en zeg: “Dag, majesteit. Al smeert u een duimdik schmink op uw gezicht, later ziet u er toch zó uit.” Kijk of ze daar om kan lachen.

hamlet

Overpeinzing

Overpeinzingen zijn gedachten die je kunt hebben bij het lezen van een bepaalde tekst, het zien van een bepaalde video, het beluisteren van een gedicht of het bewonderen van een schilderij. Dat zijn dus bronnen die ons aan het denken kunnen zetten. De in dit gedeelte opgenomen overpeinzingen zijn typisch overpeinzingen die bij senioren horen. Het gaat hier dus niet om een cursus of een leerquiz. Nee, een overpeinzing heeft een geheel eigen karakter. Het is eigenlijk een bijzondere inleiding. Je mag daarna zelf gaan bedenken hoe je tegenover het onderwerp staat.

Shakespeare

Het gaat hier om een van de bekendste scenes die Shakespeare geschreven heeft. De reden van die bekendheid is duidelijk: het is een confrontatie met de dood, weliswaar met een glimlach, maar het is ook een confrontatie die een diepere laag bij ons raakt.

Iedereen die ouder wordt peinst wel eens over de dood. Bij het leven hoort immers ook de dood. In sciencefictionverhalen worden we misschien wel geconfronteerd met geheime dranken die ons het eeuwige leven kunnen geven. Maar we weten allemaal wel beter. Zinnen als ‘Hier zaten zijn lippen die ik heb gekust’ en ‘Al smeert u een duimdik schmink op uw gezicht: later ziet u er toch zo uit’ raken ons.

Iedereen die voor het eerst een skelet van een mens zag, zal bovenstaande herkennen. Een skelet is slechts een skelet maar herinnert ook aan het feit dat het skelet ooit aan een mens van vlees en bloed toebehoorde. Iemand die gelachen en gehuild heeft.
In de Boeddhistische cultuur worden familieleden na de lijkverbranding uitgenodigd om nog wat niet verbrande botstukjes van de overledene mee te nemen. Die worden in een urn bewaard ter nagedachtenis. Veel westerlingen bezoeken nog het graf van een dierbare als die tenminste begraven is. Voor sommigen kan dat heel belangrijk zijn. In alle rust terugkijken naar het leven dat je met die dierbare hebt gehad. Dat neemt niet weg dat crematie, ook in Nederland, steeds meer gebruikelijk is en dan is er geen plek meer zoals een graf als stille ontmoetingsplaats.

Er zijn ook mensen die willen dat direct na hun overlijden de kist definitief dicht gaat zodat familieleden en bekenden niet het beeld van de dode als laatste herinnering met zich mee zullen dragen. De herinnering moet vooral een herinnering aan de nog levende zijn.
We weten dat het leven tijdelijk is, dat we ooit geboren zijn… maar daar herinneren we ons niets meer van. De dood als eindpunt is een voor iedereen vaststaand feit dat ieder op zijn eigen manier moet accepteren en het is wonderbaarlijk om te zien hoe velen dat ook op latere leeftijd met een glimlach kunnen doen. Het is interessant om over begrippen als accepteren na te denken. Wat is dat ‘accepteren’ en waarom kunnen mensen dat met een glimlach doen? Is het hun geloof dat hen sterk maakt? Biedt het geloof rust als we weten dat er een ziel is en dat het slechts het lichaam is dat sterft? Of gaat het om het besef dat dit nu eenmaal bij de betrekkelijkheid van het leven hoort en dat het gewoon goed is dat je je met die gedachte van doodgaan verenigt. Als kind heb je die gedachte nog niet. Als kind denk je… wat zijn opa en oma toch oud en zou ik ooit ook zo oud worden? En de te overbruggen periode ligt bijna onzichtbaar ver. Als we ouder worden realiseren we ons beter wat de betrekkelijkheid van het leven is maar staan we er toch nog ver van. Alleen als een bekende uit ons midden wegvalt word je ermee geconfronteerd. Maar als senior bouw je je eigen gedachten rond de dood op. En voor de meesten zijn die gedachten niet bedreigend meer en eigenlijk is dat iets heel wonderbaarlijks. Geldt dat ook voor jou zo? Spreek je er met anderen over of leef je zo in vrede met de betrekkelijkheid van het leven dat dat niet hoeft?

denken